Zoals inmiddels genoegzaam bekend, hebben werknemers van wie de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens twee jaar arbeidsongeschiktheid, recht op een volledige transitievergoeding. Dit is alleen anders als dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad heeft op 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1845) de vraag beantwoord of sprake was van een dergelijke onaanvaardbaarheid indien sprake is van een ontslag vlak voor de pensioengerechtigde leeftijd.

In die casus werd een docent door zijn werkgever ontslagen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De werkgever weigerde toekenning van de transitievergoeding omdat de docent vlak voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zat. Daarom zou de werknemer niet op zoek hoeven gaan naar een andere baan en zou zijn inkomensverlies beperkt zijn. De werknemer startte een procedure om de volledige transitievergoeding van € 73.514,42  vergoed te krijgen.

Waar de kantonrechter oordeelde dat de werknemer slechts recht zou hebben op een gedeeltelijke transitievergoeding ad € 25.000,-, oordeelde het Gerechtshof dat de werknemer recht zou hebben op de volledige transitievergoeding. De werkgever stelt cassatie in en de Hoge Raad verwerpt het beroep; de werknemer heeft recht op een volledige transitievergoeding.

De Hoge Raad merkt op dat de wetgever t.a.v. de transitievergoeding heeft gekozen voor een zogenoemd gestandaardiseerd en abstract stelsel; de voorwaarden voor het recht op en de regels voor de berekening van de hoogte van een transitievergoeding, zijn gedetailleerd in de wet omschreven. Er is door de wetgever geen voorbehoud gemaakt voor gevallen waarin de werknemer na twee jaar ziekte wordt ontslagen of direct na de beëindiging een andere baan heeft gevonden. Wel bestaat de uitzondering dat de transitievergoeding niet verschuldigd is indien dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daar is in casu volgens de Hoge Raad echter geen sprake van. De Hoge Raad verwijst naar de wetsgeschiedenis en overweegt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de wettelijke regeling van de transitievergoeding ertoe kan leiden dat een werknemer die kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding die hoger is dan het loon dat hij zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. Desalniettemin heeft de wetgever niet gekozen voor een afbouwregeling zoals die bestond in de tijd van de kantonrechtersformule.

Volgens de Hoge Raad heeft de bijna pensioengerechtigde werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte wordt beëindigd dan ook recht op een volledige transitievergoeding.

Annette van der Weijden

Advocaat