De Hoge Raad heeft bij arrest d.d. 14 september jl. (ECLI:NL:HR:2018:1617) geoordeeld dat een werknemer waarvan het aantal arbeidsuren substantieel (tenminste 20%) en structureel vermindert, aanspraak heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De vergoeding wordt berekend over het aantal uren waarmee de arbeidsduur wordt verminderd.
In de betreffende zaak ging het om een werkneemster met een voltijds dienstverband. Zij werd na 2 jaar ziekte gedeeltelijk (voor 43,88 %) arbeidsongeschikt verklaard, kreeg een WGA-uitkering en kwam met haar werkgever overeen dat ze haar werkzaamheden in deeltijd (factor 0,55) zou voorzetten. Haar dienstverband werd per brief door de werkgever formeel opgezegd. In dezelfde brief stond dat haar ook een nieuw dienstverband werd aangeboden. De werkneemster heeft toen verzocht om een betaling van een (gedeeltelijke) transitievergoeding. Dit werd door de werkgever geweigerd, omdat er sprake zou zijn van arbeidsvermindering in goed overleg en niet van een beëindiging van het dienstverband. De werkneemster was het daarmee niet eens en stapte (met succes) naar de rechter.
Er is in de wet geen bepaling opgenomen waarin wordt voorzien in een aanspraak op een (gedeeltelijke) transitievergoeding bij een vermindering van uren. Volgens de Hoge Raad dat recht echter wel in het geval er door omstandigheden (bedrijfseconomische redenen of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid) wordt overgegaan tot een substantiële (minimaal 20%) en structurele vermindering van de arbeidsduur. Dit motiveert de Hoge Raad met de uitleg dat een werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding misloopt, waar hij bij een volledige beëindiging van de arbeidsovereenkomst wel recht op zou hebben gehad. Bij een beëindiging (op initiatief van de werkgever) in de toekomst, bestaat immers alleen recht op een transitievergoeding berekend over de op dat moment bestaande arbeidsomvang.